Het redden van bedrijven deel II: had ik maar een makkelijker vak geleerd!

Mijn vorige blog ging over het redden van bedrijven; door de economische omstandigheden inmiddels weer een zwaartepunt in mijn advocatenpraktijk voor ondernemers. Het “redden van bedrijven” is erg pretentieus uitgedrukt. Vaak moet ik al blij zijn als ik ervoor kan zorgen dat de ondernemer niet ook privé failliet gaat en ook nog in de toekomst zijn gezin kan onderhouden.

Een stap hoger is wanneer hij ook nog een stuk markt kan blijven bewerken met zijn product en zijn goede klanten en werknemers overhoudt. Van daaruit zijn vaak bedrijven toch weer opgebloeid. Dat zie je in Amerika meer dan hier. Bij ons leeft teveel het idee dat een ondernemer gestraft moet worden en op zijn minst alle negatieve ballast zelf maar moet meenemen. De bescherming van werknemers is een groot goed, maar om iemand te dwingen bij een doorstart met name (grof gezegd!) alle zieken, zwakken en ouderen mee te nemen, maakt meer werkgelegenheid kapot dan het oplevert; met name juist voor die zieken, zwakken en ouderen. Orthodox jaren ‘60 en ’70-ideologie (“werknemers zijn zielig en werkgevers zijn boeven”) overheerst echter nog in rechtspraak en wetgeving en niet praktische resultaatgerichtheid.

Het andere grote probleem zijn (ik moet ze helaas weer noemen) de banken. Zonder zekerheden en voldoende kasstroom wordt zelfs het allerbeste idee en de beste ondernemer nauwelijks meer gefinancierd. Een (door-) startend bedrijf heeft nu eenmaal geen bewezen kasstroom en kapitaal als onderpand.

Ondernemers komen na een mislukking juist meestal in een negatieve financiële situatie terecht, doordat banken van directeuren van B.V.’s steeds meer persoonlijke borgstellingen zijn gaan eisen. Het erge is daarbij, dat dit banken lui maakt: ze hebben toch de borg en waarom zouden ze dan nog moeite doen om de debiteuren uit te winnen of vroegtijdig met de onderneming mee te denken hoe uit liquiditeitsproblemen te komen. Vroeger kwam je al snel bij de afdeling Bijzonder Beheer van de banken; niet altijd mijn vrienden geweest, maar wel proactief en deskundig. De huidige tendens is dat die afdelingen zo zijn uitgekleed, dat de benodigde capaciteit weg is en men veel te laat ingrijpt en vervolgens vaak de zaak direct over de schutting kiepert bij een incassobureau, dat zonder kennis van zaken maar wat brieven gaat uitspugen en bij elke brief de schuld ook nog eens hoger maakt.

Tot slot zijn ook de ontvangers van de Belastingdienst een stuk harder geworden en werken steeds minder mee met een schuldsanering. Voor hen moet je al aantonen dat incidentele en externe oorzaken de gevolgen zijn geweest voor het niet tijdig kunnen betalen van de belastingen. Ik heb al van menig ontvanger gehoord “dan gaat hij toch failliet”. Ik vraag me dan altijd af wat het voordeel daarvan is voor de Staat. Nog een probleem zijn de vele afgevloeide goede Ontvangers en de morele destabilisatie die de Belastingdienst momenteel intern teistert. Het is de echt de dienst van vroeger net meer.

Kortom, je moet in mijn vak steeds weer een nieuwe stap vooruit denken.
Dat maakt het niet makkelijker, maar wel interessanter.

Charles Lückers, advocaat voor bloeiende én voor snoeiende bedrijven

www.luckers.nl / www.advocasso.nl / www.legalshares.nl